Bakenloodjes van Harlingen ook voor het Amelander Zeegat

01-12-2016 10:29

Kortgeleden ben ik attent gemaakt op de website Amelander Historie en alles wat zich daaromheen afspeelt. Als verzamelaar van bakenloodjes en achtergrondinformatie hierover lijkt het mij wel geschikt om de bakenloodjes van Harlingen eens onder de aandacht te brengen. Deze hebben namelijk ook dienst gedaan voor het Amelander Zeegat. Maar voordat ik deze loodjes ga bespreken wil ik eerst in het algemeen iets vertellen over de bebakening in het noorden van Holland en dan vooral die vanuit Harlingen en de hiervoor gebruikte bakenloodjes.
 

Door Allex Kussendrager

 

De zeegaten en geulen bij Friesland

 

In opdracht van de Staten van Friesland werd de betonning aan de oostkant van de Zuiderzee door de Admiraliteit van Friesland geregeld welke in Dokkum zetelde. In 1562 besloten de Staten van Friesland om tonnen te laten leggen in het Friese Zeegat (tussen Ameland en Schiermonnikoog) voor de vaart van Dokkum naar open zee en van de schepen tongeld te verlangen, namelijk 1 stuiver per last. De Staten van Groningen betaalden “naar billijke proportie” mee aan deze tonnen en op Schiermonnikoog stond een Friese- en een Groningse kaap. In 1645 verhuisde de Admiraliteit naar Harlingen wegens de verzanding van het Dokkumerdiep. Met de verhuizing breidde de zorg van de Admiraliteit zich ook uit tot het Amelander zeegat. In 1655 gaven de Staten opdracht aan de Admiraliteit om ook tonnen in dat zeegat te leggen. De stad Harlingen zorgde, in samenwerking met andere steden, voor de betonning van de Jetting, de vaargeul om in- of uit de Harlinger haven te komen. Dit was van groot algemeen belang, o.a. voor de vaart op Bolsward en in het begin van de 18e eeuw voor de schepen die vanuit Holland naar de Vliestroom voeren. Ook voor de schepen van de Friese havensteden Staveren, Hindelopen, Workum en Makkum was dit zeer zinvol.
Het vaarwater dat vanuit Harlingen werd betond, breidde zich geleidelijk uit en besloeg in de 18e eeuw naast het Amelander Zeegat (tussen Terschelling en Ameland), de Noorder- en Zuider Jetting en het Koornweerderzand (tussen Harlingen en Makkum). De vaargeul naar open zee liep tussen Ameland en Schiermonnikoog; het Friese gat en de Scholbalg. Vanuit Harlingen liep de vaarweg via de Jetting naar de Vliestroom, of langs de Balg naar het Amelander Zeegat tussen Terschelling en Ameland.

Jaarlijks stond op de rekening van de Staten van Friesland een tonnemeester met een tractement van 2000 gulden en een bakenmeester die 1000 gulden per jaar kreeg. In 1744 benoemde de secretaris van de admiraliteit Coert van Beyma zijn zoon Julius Mathijs tot tonnenmeester. In dezelfde overeenkomst werd schipper Hendrik Isaaks aangesteld om de tonnen in maart (St. Pieter) uit te brengen en in november (St. Maarten) weer op te nemen en de tongelden te innen. Voor deze werkzaamheden kreeg hij 600 gulden. Vanaf 1760 betaalde de provincie Friesland 6000 gulden per jaar aan het koninkrijk Pruisen voor de vuurtoren op het eiland Borkum ter markering van de toegang tot de Eems. Uitgezonderd Oost-Friese schepen die van- en naar de Republiek voeren, moesten alle schepen die het Friese Zeegat en het Amelander Gat passeerden 1 stuiver per last betalen, het zogenaamde Borkumse Vuurgeld. (zie afbeelding)
Voor zover bekend werden al deze gelden geïnd bij het inklaringsvaartuig of uitlegger, dat in het zeegat patrouilleerde of bij de Abt voor anker lag. Dit schip van de Admiraliteit diende voor de controle van het vaarwater en het innen van de convooien en licenten; de in- en uitvoerbelasting die de schepen ten behoeve van de Admiraliteit dienden af te dragen.


 

Quitantie van Borkums vuurgeld

 

Het vaarwater van de Eems en omgeving


In 1539 gaf de Oostfriese graaf Enno II de stad Emden opdracht om de verzorging waar te nemen van de bebakening aan de Eems. In eerste instantie betrof dit slechts het vaarwater Wester-Eems. De bebakening hiervan had in het begin niet meer te betekenen dan enkele tonnen en stroomopwaarts aan de westkust enkele bakens plus nog twee kapen op het eiland Rottum. Door de toename van de scheepvaart werd het te verzorgen gebied echter uitgebreid met de Ooster-Eems en Westerbalje (1575). In 1583 was het gebied wat Emden bestreek zowel in oostelijke als in westelijke richting aanmerkelijk uitgebreid, zelfs in westelijke richting zover dat men op Gronings gebied terecht kwam tot aan de Lauwerszee. In de zestiende eeuw was er over het wad een druk scheepvaartverkeer en het was zelfs mogelijk om over het wad van Harlingen naar Hamburg te varen. Betonning werd dus steeds noodzakelijker. Behalve de stad Emden was er in dit gebied ook de stad Groningen die aan het betonningswerk deelnam. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden had deze stad een tonnenmeester in dienst. Deze autoriteit kreeg ondersteuning van de stad Groningen omdat het bakengeld wat hij van de schepen binnenkreeg, onvoldoende was om in zijn onderhoud te voorzien. Zoals elders in het land werd ook hier de betonning van St. Maarten tot St. Pieter verwijderd en tijdens deze periode was de internationale vaart verdwenen. Het betonningsmateriaal werd geleverd door de stad Groningen en het schip door de tonnenmeester.
Het Groningse gebied strekte zich uit van de Lauwerszee tot en met het gebied van de Dollard. Voor de stad Groningen was dit een moeilijke situatie omdat aan de ene kant de stad Emden op haar gebied betonde en zij aan de andere kant moeilijkheden met de Staten van Friesland ondervond over het betonnen.
In 1556 werd er een eind gemaakt aan een toen al lang bestaand meningsverschil tussen de Friezen en Groningers, waarbij ook de betonning van het Plaatgat, ook wel Scholbalg genoemd, betrokken was. Tot een oplossing van het betonningsverschil is men echter nooit gekomen, men bleef werkelijke moeilijkheden maken tot de Franse tijd. Ondanks de verklaringen van de stad Groningen van 1611 en 1686 over haar bevoegdheden tot het betonnen van een gebied van Eemshorn tot de Lauwerszee, veranderde er weinig aan de oude toestand. Zelfs in 1822 gaf de stad Emden haar bakenmeester nog orders westelijk van de Wester-Eems tot bij Pieterburen te bebakenen, alsmede het gebied bij de Lauwerszee. Kort daarop, in de periode 1830 - 1840, namen de Groningse bakenzetters de betonning van het Groningse wad over onder toezicht van een inspecteur. De moeilijkheden met de Friese Staten betroffen de betonning van het Friese zeegat.

 

Het Armenbestuur van Harlingen


De opbrengsten van de tongelden waren al in 1559 bestemd voor de stadsarmen. Aan het begin van de 18e eeuw werd de zorg voor de betonning in het Amelander Zeegat overgedragen aan het armenbestuur van Harlingen. In 1704 waren de geulen rond de Vliestroom zodanig verlopen dat de vaarweg van en naar Holland via de Noorder- en Zuider Jetting ging. De staten van Friesland verzochten de staten van Holland of de Armenvoogden van Harlingen tongelden van Hollandse schepen mochten heffen. De Voogden van de Algemene Armen binnen Harlingen hadden waarschijnlijk al eerder het recht verkregen de betonning te verzorgen en de tongelden te innen. In een octrooi van de Staten van Friesland uit 1706 staat een verwijzing naar een eerder regelement uit 1687. Behalve in Harlingen mocht ook in de havens van Staveren, Hindelopen, Makkum en Workum van de inkomende schepen ton- en bakengeld worden geheven. Rond die tijd werd ook de betonning van het Amelander zeegat, dat eerder onder de verantwoordelijkheid viel van de admiraliteit van Friesland, opgedragen aan de Armenvoogden van Harlingen die daarmee de titel Directeurs der Tonnage van de Amelander Zeegaten kregen. De zorg voor de betonning van het Amelander Zeegat, de Jetting en het Koornweerderzand vroeg voortdurende aandacht van het armenbestuur. Dit gebeurde naast de meer gebruikelijke besluiten over de aanschaf van rogge, de huisvesting van thuiszittende armen en de aanschaf van doodskisten.

 

Ton- en Bakengeld


In 1723 was het tarief voor het Amelander Zeegat als volgt samengesteld:
zeeschepen;                                                                         1 stuiver / last
Hamburger- en Bremer stukgoedvaarders en beurtschippers; 2 stuiver / last
Groningenvaarders met lasten binnenboords;                          5 stuivers / reis.

Uit een afrekening van ontvangen tongelden door Gijsbert Koen, commissaris op ‘d Abt in 1723 blijkt echter dat de schepen die op Hamburg en Bremen voeren niet per last werden aangeslagen, maar dat deze steeds de vaste som van 5 stuivers per reis betaalden.
Groningenvaarders, waarvoor dit tarief bedoeld was, komen in deze afrekening echter niet voor.
Een uitzondering was het schip van Carsten Rijsbol van en naar het Groningerdiep, maar dat was blijkbaar een zeeschip en werd aangeslagen voor 10 last à 1 stuiver per last.
Het tongeld werd voor zeeschepen berekend naar de omvang van de lading. Tot 1727 konden ongeladen schepen vrij passeren, toen werd gelijk met de instelling van het Klein Bakengeld bepaald dat ra-schepen (schepen welke leeg uit Holland kwamen) 12 stuivers en galjoten 6 stuivers moesten betalen.
In 1745 werden de tarieven verhoogd tot 2 stuivers per last voor schepen naar zee, 3 stuivers per last voor schepen varend op de Noord-Duitse havens en 10 stuivers voor de schepen die over het wad naar Groningen voeren.


 

Klein Bakengeld


Het was gebruikelijk dat binnenschepen, die vanwege hun geringe diepgang de betonning niet echt nodig hadden, vrijgesteld waren van betaling. In de verschillende betalingsregelingen wordt geen melding gemaakt van schepen die alleen de Zuiderzee bevoeren. In de loop van de 18e eeuw kwam hier verandering in en werden ook deze aangeslagen volgens een apart tarief.
In 1727 wordt voor het eerst melding gemaakt van het Klein Bakengeld, waarbij de schippers van de kleine schepen worden aangeslagen voor een jaarlijkse bijdrage. Er werden twee verschillende tarieven gehanteerd; hek- of gaffelschuyten 3 stuivers per jaar, kleinder schuyten als kaag- of damschuit 2 stuivers per jaar.
In een regelement van 1743 komen we dezelfde tweedeling tegen maar wordt in plaats van hek- of gaffelschuiten gesproken over galjoot, koffen en vreemde jaghten; kleine schepen heten nu smacken, schuijten, snabben, kaagen, snicken en damschuiten. De tarieven waren verhoogd naar respectievelijk 6 en 3 stuivers. Uit een administratie van de tonnagie in het Amelander Zeegat en de Jetting uit 1799, wordt melding gemaakt van twee verschillende tarieven voor het Klein Bakengeld. Voor de passage van het Amelander Zeegat werden loodjes op de Abt verkocht.
Ronde en driehoekige loodjes, waarop het wapen van Harlingen staat afgebeeld met daarnaast de letters A en K (ArmenKamer).  Afhankelijk van de scheepsgrootte, is er sprake van bedragen van 16 stuivers voor het ronde loodje en 28 stuivers voor de driehoekige.
Het innen van het Klein bakengeld werd verpacht; voor het jaar 1727 voor de somma van 36:14:8 (= 36 gulden 14 stuivers en 8 penningen) en in de volgende jaren voor bedragen variërend van 49 tot 66 gulden. Na 1745 is er geen vermelding meer van verpachting.


 

De eerste zoutreis van kofschip de Hunse in 1837


Om een indruk te geven van de kosten welke een schipper zoal moest maken voor een reis wil ik in het kort de eerste zoutreis van het Groningse kofschip de Hunse beschrijven welke in 1837 vanuit Harlingen vertrok naar Liverpool met als scheepsmakelaar en schipper Hindrik Ketelaar. Kosten welke in dit kader interessant zijn, zijn de loodskosten, bruggeld, buitensluis- & kaaygeld, uitgaand lastgeld, kettingbruggeld, maar vooral het “lootje & vuurbriefje” en het “uitgaand buiten- en binnenvuurgeld”. De Hunze was een schip van 99 ton en moest voor de uitreis voor het lootje & vuurbriefje ƒ 1,20 en voor het uitgaande buiten- en binnenvuur ton- en bakengeld 6½ cent per ton oftewel ƒ 6,44 betalen.
Bij de terugreis was het vuur-, ton- & baconagegeld ƒ 19,51 , het havengeld 13 cent per ton (is ƒ 12,87) en het vuurgeld voor de haven ƒ 0,20.
Het vuur-, ton- en bakengeld was gesplitst in buitenvuurgeld, van zee tot de rede en het binnengeld van de rede tot Harlingen, overeenkomstig met de loodstrajecten. De kosten wisselden sterk en soms werden er ook nog toeslagen over in rekening gebracht. In de rekeningen van ketelaars scheepsmakelaars komen meerdere keren de volgende posten voor: In ballast uitgaande binnen- zowel als buitenvuurgeld 3 tot 4 cent per ton; geladen inkomende buitenvuurgeld 12½ binnenvuurgeld 7 cent per ton.
Het havengeld viel niet, zoals de bovenstaande vuurgelden, onder de zorg van het Rijk maar onder die van de stad, zodat daarvoor weer betaald moest worden. Dit was geen groot bedrag, vier stuivers, maar waren toch weer extra kosten.


 

De Jetting


Zoals we hierboven gezien hebben was het armenbestuur van Harlingen al vroeg betrokken bij de betonning van de Jetting, de vaargeul tussen Harlingen en de Vliestroom. Een eerste vermelding is uit 1559 in een overeenkomst tussen Harlingen en Bolsward, in het Groot Plackaat en Charterboek van Vriesland. Harlingen onderhield tonnen in de Getting (Jetting); schepen komende van zee, Noorwegen, de Sont, de vaarweg om Kaap Skagen, Engeland, Schotland en Frankrijk en de watere ten westen van de Hooffden (het nauw van Calais) dienden twee stuivers te betalen. Kwamen de schepen van de Elbe of de Weser, Antwerpen of andere havens aan dese kanten van den Hooffden, dan was het tarief één stuiver.Vuerboet in de haven van Harlingen

De inkomsten waren bestemd voor de Armenzorg van Harlingen. Behalve deze schaarse vermelding, zijn er tot het begin van de 18e eeuw nauwelijks bronnen gevonden over het regelen van de betonning en de inkomsten van tongelden.
Het is waarschijnlijk dat ook voor de Jetting het Klein Bakengeld moest worden betaald voor de binnenkomende schepen. In 1745 werd de inning van het bakengeld voor het Koornweerderzand opnieuw verpacht voor 38 gulden onder dezelfde condities als voor het Amelander Zeegat. In 1750 werd een tonneboeier voor de Jetting aangesteld, voor een jaartractement van 75 gulden. Deze tongelden werden waarschijnlijk geïnd in de haven van Harlingen.

Van een derde soort loodje, rond en ook voorzien van het wapen van Harlingen met daarnaast twee maal twee letters, zijn mij twee versies bekend namelijk met de letters IDHM en CZHM. Misschien zijn deze loodjes het Klein Bakengeld voor de Jetting of het Coornweerder Zand.

Bij opgravingen van scheepswrak NB 6 in de Noordoostpolder, zijn zowel driehoekige- als loodjes met de letters CZ HM gevonden (NB6-M5 t.m. M7). Het gevonden schip was dus een binnenschip van de grootste categorie waarvoor het Klein Bakengeld in het Amelander Zeegat en voor de Jetting zijn betaald.


 

Amelander gat en omgeving


Hoewel de betonning van het Amelander gat en het Coggediep lange tijd onderhouden was door de stad Dokkum, werd deze op een gegeven moment overgenomen door het gemeentebestuur van Harlingen. Het waren echter niet alleen deze vaarwaters waar Harlingen zich mee bemoeide, ook het gebied rond de Jetting, Kromme Balg, Abt, de Friese wadden tot het Groningse diep en het Kornwerderzand behoorden op den duur tot hun resort.
Het was opmerkelijk dat de stad Harlingen het betonnen en bebakenen overdroeg aan het armenbestuur (armenkas) van de stad. Dit bestuur mocht bakengelden heffen. Eén en ander blijkt duidelijk uit een regelement van de Magistraat van Harlingen gedateerd 26 januari 1687, maar nog duidelijker uit een schrijven van het stedelijk armenbestuur uit die tijd aan de Staten van Friesland, waarin men klaagt dat Staverse, Hindeloper, Workumer en Makkumer schepen het ton- en bakengeld niet betalen. Ook werd er hierbij nog opgemerkt dat het "al van oude en immemorale tijden" het leggen en bezorgen van zeetonnen en drijfbakens ten zijnen laste heeft gehad.

 

De Harlinger bakenloodjes

 

Harlingen heeft vier types bakenloodjes gekend:

Loodjes voor het Amelander Zeegat met de letters AK

 

Bakenloodjes voor de Jetting

 

Een ongebruikelijke formaat bakenloodje.

 

Onbekend bakenloodje Norwich uit Engeland

 

Enkele jaren geleden heb ik het hierboven afgebeelde loodje kunnen kopen. Het is gevonden in het graafschap Norfolk, niet ver van Norwich in Engeland. Dat er een bakenloodje voor de Jetting in Engeland gevonden wordt is op zich nog niet zo onwaarschijnlijk, maar het bijzondere vind ik dat dit loodje van type CFA zes- i.p.v. driekantig is. Zou een loodje in deze vorm een soort van “export vergunning” geweest kunnen zijn zodat de schipper niet de verplichte zes stuivers hoefde te betalen?




Geraadpleegde literatuur:
Vuur- en bakenloodjes voor een veilige vaarweg op de Zuiderzee. 
Scheepsarcheologie III. André Wijsenbeek
Waartoe zou dan al die moeijte zijn” Het bedrijf van een Groninger kofschipkapitein 1820 – 1852. Dr. F. J. Loomeijer, Het Peperhuis 1986
Website www.loodjes.nl

 

Contact

Redactie Amelander Historie info@amelanderhistorie.nl